Epistel 3: maart 2014

Voorwoord

Beste lid van de Vereniging voor Epidemiologie,

 

In deze Epistel: een interview met Hans Brug, sinds vorig jaar hoofd van de afdeling Epidemiologie en Biostatistiek (E&B) van het VU medisch centrum. Een samenvatting van het proefschrift van Maike Koningstein. Een bericht van de Federa over de samenwerking met ZonMw. Een bericht vanuit de VU/VUmc over het MooDFOOD project. En tenslotte een oproep van de NRS (Netherlands Respiratory Society) voor deelname aan de Research Roadmap. Bekijk ook de twee vacatures van Mapi en het HagaZiekenhuis en de agenda op de VvE site!

 

Veel leesplezier!

De redactie

Wie de methodologie beheerst is in staat om onderzoek op waarde te wegen en te vertalen naar de praktijk

Interview met Hans Brug, hoofd afdeling Epidemiologie en Biostatistiek VUmc

 

Door: Miranda Langendam

 

We beginnen het interview met een kennismaking. De racefiets aan de muur van zijn werkkamer verraadt alvast een sportieve inslag. Hans Brug leidt sinds vorig jaar de afdeling Epidemiologie en Biostatistiek (E&B) van het VU medisch centrum. Deze functie blijkt niet nieuw voor hem, in het verleden was hij al nauw betrokken bij de oprichting van de afdeling E&B. In 2007 begeleidde hij als divisievoorzitter de fusie van wat toen nog de afdelingen Klinische Epidemiologie en Biostatistiek en EMGO waren en was hij een aantal jaar afdelingshoofd van de nieuwe afdeling Epidemiologie en Biostatistiek.

 

Wat ga je als hoofd E&B proberen te bereiken?

“Ik zie twee hoofdlijnen: inhoudelijk en organisatorisch. Inhoudelijk wil ik graag dat we ons concentreren op een beperkt aantal onderzoekslijnen. Sterke onderzoekslijnen nog sterker maken, goed ge´nformeerde keuzes maken wat we wel en niet doen. Ons werk moet aansluiten bij de zwaartepunten van het VUmc, want we hebben een sterk ondersteunende en faciliterende rol. Daarnaast: waar zijn we hartstikke goed in, waar onderscheiden we ons nationaal en internationaal? Dit gaan we het komende jaar met elkaar als afdeling verkennen.”

 

Wat als een onderzoeksafdeling van een andere universiteit in hetzelfde vaarwater blijken te zitten? Verken je dat actief?

“Dat verkennen gaat vooral via de achteruitkijkspiegel. Als andere groepen in hetzelfde vaarwater zitten, maar we onderscheiden ons doordat externe partijen geld in ons steken, we voldoende publiceren en promoveren, in internationale consortia werken en ons werk goed geciteerd wordt… dan is dat bewijs dat er ruimte voor the both of us is.”

 

Dat doet me denken aan jullie missie. In de E&B missie staat dat jullie excellent wetenschappelijke studies willen initiŰren, ondersteunen en uitvoeren. Wat is excellent onderzoek?

“Naar mijn idee onderzoek dat werkelijk bijdraagt aan de evidence-base dan wel verbetering van de gezondheidszorg. Wij zijn georiŰnteerd op toegepast onderzoek, we willen echt een bijdrage leveren aan verbetering van de gezondheidszorg. Maar ook weer: als anderen geld in je willen steken dat is dat een teken dat je goed bent en maatschappelijk relevant en als je vaak geciteerd wordt door vakgenoten dan betekent dat dat andere wetenschappers je werk belangrijk vinden. En publiceren is natuurlijk een voorwaarde voor geciteerd worden. En dan wil je ook graag promovendi afleveren die het veld verder brengen.”

 

Hoe passen de organisatorische ontwikkelingen daarin?

Organisatorisch speelt bijvoorbeeld dat het VUmc, net als andere UMCs, over gaat op een vorm van prestatiebekostiging. Daar moet de afdeling klaar voor gemaakt worden. En ik wil graag de afdeling meer sturen vanuit haar drie kerntaken: onderwijs, consultatie en eigen onderzoek. Onderwijs noem ik als eerste omdat het heel belangrijk is om aankomende dokters tenminste de beginselen van de methodologie van goed wetenschappelijk onderzoek bij te brengen. Dat is een maatschappelijke taak die misschien nog wel belangrijker is dan ons eigen onderzoek. We willen dat artsen evidence-based te werk gaan en dat kan alleen als ze onder andere van ons hebben meegekregen wat daar de goede methodologie en statistiek voor is. Consultatie als kerntaak is belangrijk om onderzoekers die minder tijd hebben om zich te verdiepen in methodologie en statistiek – bijvoorbeeld omdat ze ingewikkelde darmoperaties uitvoeren – een goed en state of the art advies te geven.

Een andere organisatorische en inhoudelijke uitdaging is de alliantie tussen AMC en VUmc. Dat is spannend en erg leuk om bij betrokken te zijn. Op divisieniveau wordt er op dit moment gewerkt aan een gezamenlijke missie en visie en op afdelingsniveau komt er een gezamenlijke onderzoeksdag.”

 

Verder blikkend op de toekomst: in welke richting zal de epidemiologie zich ontwikkelen de komende jaren? Bestaat de epidemioloog nog over 20 jaar?

“De basismethodologie zal altijd belangrijk blijven, dat wil zeggen het goed toepassen van epidemiologische inzichten, het ontwerpen en uitvoeren van onderzoek, interpreteren en analyseren. Daar zitten geen revolutionaire veranderingen maar evolutionaire veranderingen. Designs zijn ingewikkelder geworden, we houden bijvoorbeeld nu al in de opzet van onderzoek rekening met multi-level designs en analyses. De grootste ontwikkeling is misschien wel Big Data, niet alleen op het gebied van genomics maar ook op het gebied van imaging. Het gaat om veel data waar je wat van zal moeten maken; daar zullen sterke ontwikkelingen moeten en gaan plaatsvinden. In de biostatistiek leek de grens van steeds ingewikkelder analyses bereikt. Toch blijkt door de ontwikkelingen in genomics nieuw fundamenteel biostatistisch onderzoek nodig. Dan zijn er de demografische en epidemiologische ontwikkelingen. De toenemende veroudering van de bevolking maakt dat we ons moeten focussen op doelgroepen waar multi-morbiditeit een belangrijk aspect is, met bijhorende uitdagingen in de analyses.”

 

Hans noemt nog een voorbeeld uit wat hij zijn hobby werk noemt: leefstijl onderzoek. Hij is met name ge´nteresseerd in het pad dat leidt van interventie naar verbetering van gezondheid: hoe intermediaire factoren als cognitie, gedrag en risicoprofiel van invloed zijn op de kans op ziekte en sterfte. De vraag is hoe dit te modelleren zodat inzicht ontstaat in de lange termijn uitkomsten en we de opbrengsten en kosten van een interventie goed kunnen evalueren.

Andere zaken waar we volgens Hans de komende jaren niet omheen kunnen zijn evaluatie van personalized medicine en ontwikkelingen in meetinstrumenten, bijvoorbeeld om de kwaliteit van zorg te meten maar ook om te gaan met de toenemende vraag naar patient related outcomes, zoals computer adaptive testing en item respons theorie.

 

Dit lijkt erop dat het vak van epidemioloog breder wordt. Moeten we meer in huis hebben dan pakweg 20 jaar geleden?

“Aan de ene kant wel want voor ons vak geldt – net als in veel andere vakgebieden – dat nieuwe kennis supersnel groeit. Tegelijkertijd gaat het steeds om dezelfde basis. Hoe zet je vanuit de vraag die wilt beantwoorden een goed onderzoeksontwerp neer, wat zijn daarvoor de juiste meetinstrumenten, de gecontroleerde meetomstandigheden, de best passende analyse. We moeten veel aandacht besteden aan die basis, en vandaar uit zullen epidemiologen zich specialiseren, zich verdiepen in een deelonderwerp waar ze echt expert in zijn. En gezien het aantal epidemiologen in Nederland moeten we daar ook de ruimte voor hebben. Door de basis breder te verspreiden – onderwijs als kerntaak – zullen steeds meer mensen ook epidemioloog worden: we krijgen internisten, neurologen, gezondheidswetenschappers die ook epidemioloog zijn. Dus ja, de epidemioloog bestaat nog steeds over 20 jaar. Ik hoop dat er dan nog veel meer mensen epidemioloog zijn.”

 

Maakt de achtergrond uit, bijvoorbeeld of iemand is opgeleid als psycholoog, arts of gezondheidswetenschapper?

“Als psycholoog heb je al een sterke onderzoeksachtergrond, maar verder maakt het niet zo uit naar mijn idee. Het zal tot uiting komen in de richting waarin iemand zich specialiseert.”

 

Tot slot een paar persoonlijke vragen. Over welke kwaliteit zou je in ruimere mate willen beschikken?

Het blijft even stil. “Ik hoor wel eens dat ik geduldiger zou moeten zijn, geduld is een schone zaak zeggen die mensen dan. Maar geduld is… dan zit je ergens op te wachten en je wil eigenlijk dat het sneller opschiet, het is een wanhoop vermomd als deugd. Ik zou niet zozeer meer geduld willen hebben maar wat meer aan watchful waiting willen doen. Af en toe kan even afwachten ook best functioneel zijn.”

 

Wat is het beste advies dat je ooit gekregen hebt?

“Goh, moeilijke vraag… Ik heb vroeger fanatiek aan sport gedaan en veel goede adviezen van mijn trainers gehad.” Lachend: “Ik zeg vaak gekscherend tijdens sollicitaties: de beste kandidaten zijn topsporters met een gereformeerd verleden: die klagen niet en weten wat hard werken en presteren is.”

Hans combineert al geruime tijd onderzoeks- en management taken. Dat is ontstaan vanuit een dilemma: “De inhoud, wetenschappelijk onderzoek, werken met onderzoekers motiveert me het meest, wat me het meest ergert is als het management er omheen onvoldoende goed gebeurt of gebeurt door mensen die onvoldoende kennis van het primaire proces hebben.” Blijkbaar werkt de combinatie goed, want hij wordt de laatste tijd steeds meer gevraagd voor management zaken. Een goed advies, of zelfs een goedkeuring hiervoor, last hij in een boek van management goeroe (“daar houd ik over het algemeen helemaal niet van, van dat soort mensen”) Clayton Christensen: “Management is amongst the most nobel of professions if it is practised well. No other occupation offers more ways to help others learn and grow, take responsibility and be recognized for achievement and contribute to the succes of a team.” Zie hier de kern van management volgens Hans: geen red tape en overhead, maar een wezenlijke bijdrage leveren aan de prestaties van het team, hoe groot of klein het dan ook is.

 

Wie is Hans Brug?

Johannes (‘Hans’) Brug werkt sinds 2007 bij het VU medisch centrum. Hij is vice-decaan Onderzoek, divisie voorzitter, hoofd van de afdeling Epidemiologie en Biostatistiek en hoogleraar Epidemiologie. Voor zijn benoeming als vice-decaan was hij directeur van het EMGO instituut en interim-hoofd van verschillende afdelingen. Hans Brug startte zijn wetenschappelijke carriŔre bij TNO Voeding en werkte daarna voor de KWF Kankerbestrijding, Universiteit van Maastricht, de Open Universiteit en Erasmus MC.

Als bestuurder maakt hij zich sterk voor een optimaal onderzoeksklimaat en optimale onderzoeksinfrastructuur in het VUmc. Zijn eigen onderzoek is gericht op gezondheidsgedrag, preventie en public health, met een speciale focus op gezond eten en bewegen.*

Federa officieel gesprekspartner ZonMw

Uit het Federabulletin, Jaargang 2, nummer 3, 2014

 

De Federa, oftewel de Federatie van Medisch Wetenschappelijke Verenigingen in Nederland, is vanaf heden officieel gesprekspartner voor ZonMw. De doelstelling en activiteiten van de Federa binnen het kader “Voor een gezond Onderzoeksklimaat ” zijn van meerwaarde voor het stimuleren van gezondheidsonderzoek en zorginnovatie zoals door ZonMw uitgevoerd wordt.

Door middel van regulier overleg zullen beide organisaties informatie uitwisselen over een breed scala van onderwerpen, zoals datamanagement (open access), koppeling van registraties, verantwoord dierproefbeleid, carriŔreperspectief en internationalisering. De gemeenschappelijke doelstelling is het biomedisch wetenschappelijke onderzoek in Nederland optimaal te ondersteunen.

Daarvoor is specifieke informatie vanuit de Federa achterban, de (bio)medisch wetenschappers uit vele disciplines van groot belang. Daarom zal de Federa op korte termijn een aantal initiatieven ontwikkelen. Uw medewerking hieraan zal zeer gewaardeerd worden. Nadere informatie volgt.

VU/VUmc onderzoek naar invloed voeding op depressie

Persbericht VU – 20 februari 2014

 

1 januari 2014 is het MooDFOOD project onder leiding van Marjolein Visser (Hoogleraar Gezond ouder worden) en Ingeborg Brouwer van de afdeling Gezondheidswetenschappen van de VU van start gegaan. MooDFOOD staat voor Multi-country cOllaborative project on the rOle of Diet, Food-related behaviour, and Obesity in the prevention of Depression.

 

Expertise over voeding en depressie

In 2013 bracht de EU in het kader van het FP7-programma een call uit, waarin gevraagd werd naar een onderzoeksproject op het gebied van voeding en depressie. Visser en Brouwer realiseerden zich dat de VU met de afdeling Gezondheidswetenschappen (Marjolein Visser en Ingeborg Brouwer) en de afdeling Klinische Psychologie (Pim Cuijpers) samen met de afdeling Psychiatrie van VUmc (Brenda Penninx), een unieke combinatie van expertise in huis heeft. Met dertien partners verdeeld over Europa vormden zij een consortium en dienden met succes een aanvraag in voor een groot onderzoeksproject.

 

Ontstaan depressie

Depressie is een veel voorkomend gezondheidsprobleem in Europa. Iedereen heeft wel eens depressieve gevoelens, maar als deze gevoelens lang aanhouden en het dagelijks leven ernstig gaan be´nvloeden is er sprake van een klinische depressie. Deze aandoening heeft een grote impact op de individuen die het aangaat, maar ook op hun omgeving. Vele factoren spelen een rol bij het ontstaan van depressie, waaronder voeding en leefstijl.

 

Overgewicht en depressie

Een groot deel van de Europese bevolking heeft overgewicht en dat geeft weer een verhoogde kans op depressie. Het verbeteren van de het voedingsgerelateerde gedrag en de voedingsstatus van mensen met overgewicht leidt mogelijk tot het verminderen van depressieve gevoelens en het voorkˇmen van depressie. Het MooDFOOD consortium bundelt expertise op het gebied van voeding, consumentengedrag, psychiatrie en preventieve psychologie en gebruikt een unieke integrale aanpak. Zij combineren bestaande data uit Europese cohorten met nieuwe data van surveys, kort durende experimenten en een lange termijn preventieve interventiestudie in vier centra binnen Europa.

 

Onderzoek naar invloed voeding op depressie

Met een budget van bijna 9 miljoen euro gaan de onderzoekers de komende vijf jaar onderzoeken hoe voeding en voedingsgedrag depressie be´nvloeden en ook andersom, hoe depressie de voedingsinname en het voedingsgedrag be´nvloedt. Het project zal inzicht geven in de relatie tussen voeding en depressie en de onderliggende mechanismen. Deze kennis zal gebruikt worden om nieuwe voedingsstrategieŰn te ontwikkelen die helpen om depressie te voorkomen.

Oproep deelname Research Roadmap

De NRS (Netherlands Respiratory Society) is als vereniging van klinische en pre-klinische wetenschappers op het gebied van respiratoire ziekten bezig met het opstellen van een Research Roadmap. Dit proces loopt sinds 2012 en wordt beŰindigd tijdens de Longdagen in april 2014 waar de Research Roadmap zal worden gepresenteerd. Op de NRS website wordt dit verder toegelicht: www.nrs-science.nl

 

De Research Roadmap bevat een sterkte en kansen analyse van respiratoir onderzoek in Nederland, geschreven door clinici en wetenschappers uit verschillende hoeken binnen de NRS.

 

De NRS zoekt epidemiologen die bereid zijn om mee te kijken met de Research Roadmap. Interesse, neem contact op met Dirkje Postma: d.s.postma(at)umcg.nl.

Proefschrift Maike Koningstein

The interaction between human antimicrobial use and the risk of foodborne zoonotic bacteria

 

PhD-student: Maike Koningstein

Date: February 6th, 2014

University: Denmarks Teknische Universitet (DTU), Kopenhagen, Denmark

Promotor: Tine Hald, Kňre M°lbak

Copromotor: Jacob Simonsen, Morten Helms

 

Salmonellaenterica, Campylobacterjejuni and Campylobactercoli are the most common causes of foodborne bacterial infections worldwide. Both bacterial species have many modes for transmission in the food chain through which humans can be infected. The widespread use of antimicrobial drugs for food animals and the consequent dissemination of antimicrobial drug resistance have been well described in literature. Much less investigated is the association between human antimicrobial drug use and the adverse consequences it may have on human infections.

 

This thesis addresses the relation between antimicrobial drug use in humans, and the acquisition of infection with antimicrobial resistant non-typhoidal Salmonella, Campylobacter coli (C. coli),and Campylobacter jejuni(C. jejuni).

 

The main objectives were:

1) To assess if the history of human use of antimicrobial drugs is a risk factor for acquiring infection with an antimicrobial Salmonella orCampylobacter strain.

2) To compare clinical outcome of disease for patients infected with SalmonellaTyphimurium having different antimicrobial susceptibility profiles (i.e. pansusceptible, resistant or multidrug-resistant).

3) To examine how clinical outcome of an infection is affected by previous antimicrobial exposure.

 

The history of human use of antimicrobial drugs in relation to acquiring an infection with Salmonella or Campylobacter, and the subsequent risk of the causative pathogen being resistant to the drug taken previously and unrelated to the infection in question was assessed in two studies. Both studies had the same study design: registry based case-control study, for which several of the Danish registries were merged using the unique Civil Registration Number (CPR), and approximately ten controls were matched to each patient on sex, age, and county of residence.

 

A total of 22,609 Salmonella cases that were laboratory confirmed between 1997 - 2005, were enrolled in the study. The analyses were performed separately for Salmonella Typhimurium (S. Typhimurium, 4,534 cases), Salmonella Enteritidis (S. Enteritidis, 4,195 cases), and all other Salmonella serotypes combined (5,776 cases). We found that treatment with trimethoprim, sulphonamides, broad-spectrum penicillins, tetracyclines and fluoroquinolones, during one year before diagnosis, was associated with an increased risk of non-typhoid Salmonella infection. Overall, the highest association was found for with the prior use of fluoroquinolones. The risk increased as the time-window of exposure approached the infection date. We also found an increased risk for the pathogen being resistant to fluoroquinolones for people with a history of fluoroquinolone use. These findings are ascribed to the competitive and the selective effect of acquiring antimicrobial resistance, respectively. The competitive effect occurs when a course of antimicrobials taken disrupts the natural barrier effect of the gut flora. The selective effect is an additional effect, occurring when a person is exposed to a pathogen resistant to the antimicrobial taken. This increases the risk of infection further due to the selective pressure put on other bacteria susceptible to the drug taken.

 

Between 1999 – 2005, a total of 31,699 cases of Campylobacter were laboratory confirmed in Denmark, and thus enrolled in the study. We found that being diagnosed with Campylobacter was associated with an increased odds of exposure to a course of fluoroquinolones, macrolides, broad spectrum penicillins, tetracyclines, and sulphonamides and trimethoprim, up to one year before onset of disease. Again, the risk was highest for taking fluoroquinolones. For fluoroquinolones, we found an effect modification of the strain additionally being resistant to the drug taken. However, when we performed cubic spline plots of the OR of being exposed to a course of antimicrobials we found that being exposed to a course of macrolides provided a protective effect for being diagnosed with Campylobacter, up to one month before diagnosis. This effect is likely to be caused by the fact that the metabolites and active compound of macrolides are trapped into lysosomes of phagocytic cells, and get released at a very low rate and provide prolonged protection against invasive bacteria such as Campylobacter.

 

We also assessed the relation between clinical outcomes of infection with S. Typhimurium and the antimicrobial resistance profile of the causative strain, together with the association between outcome of infection and previous antimicrobial use. A prospective case-case study was performed, using data obtained through telephone-conducted interviews, combined with data from several Danish registries. The interviews were conducted between January-June 2010, and a total of 150S. Typhimurium cases were enrolled in the study. We found that previous antimicrobial use, unrelated to the current S. Typhimurium infection, was associated with a higher odds of weight loss, hospital admission, and antimicrobial therapy for the current salmonellosis. The study focussed on short-term outcomes of disease (diarrhoea, nausea, etc.), and patients were interviewed relatively shortly after notification in the National Registry for Enteric Patients. This may explain why this study, in contrast to other studies that focussed more on long-term outcome of disease (mortality, bacteraemia, etc.), did not find other more serious disease outcomes to be related to resistance profile. Also, it is possible that, due to our study design, we missed out on the most severely ill people, simply because they were too ill to participate in the interviews.

 

The overall conclusion of this thesis is that human antimicrobial use interacts in many ways with the risk of being infected with antimicrobial-drug resistant strains of Salmonella and Campylobacter, and that treatment with antimicrobials may be associated with severity of infection as well. The protective role of macrolides as observed for Campylobacter infection adds another layer to the complexity of these interactions. Prudent use of antimicrobial drugs should always be advocated in human health practices. Future studies should point out whether the associations found in this thesis also applies to other pathogens.

 

The PhD scholarship was supported partly by the EU Marie Curie Programme and the Danish Food Industry Agency. Maike Koningstein is currently working at the National Institute for Public Health and the Environment (RIVM).

Aankondiging Evidence Based Practice

Klik op de afbeelding voor de volledige versie

www.amc.nl/masterebp

Vacatures

Bekijk hier de vacatures. Er zijn heden twee vacatures:

Research Manager, Mapi

(klinisch) epidemioloog, HagaZiekenhuis

 

Agenda

Bekijk hier de agendaberichten.