Epistel 11: november 2014

Voorwoord

Beste lezer,

 

Deze maand kregen we een hele reeks proefschriftsamenvattingen binnen. Zoals altijd over zeer uiteenlopende onderwerpen. We plaatsen ze allemaal deze maand, want volgende maand valt de papieren Epistel weer op uw deurmat. Aangezien deze een speciaal thema heeft, is er even geen plaats voor proefschriftsamenvattingen. We gaan natuurlijk nog niet verklappen waar de Epistel over gaat, maar ik weet zeker dat u onder kerstboom kan genieten van interessante bijdragen. Voor nu wens ik u veel leesplezier met alweer de laatste digitale versie van 2014.

 

Olga Souverein

Oproep VvE Prijzen 2015

De Vereniging voor Epidemiologie reikt tijdens de jaarlijkse WEON vier prijzen uit:

• De VvE Achievement Award (uitgereikt vanaf 2014)

• De VvE Publicatieprijs junior onderzoeker

• De VvE Studentenprijs

• De VvE Posterprijs

 

De deadline voor de VvE Studentenprijs is: 12 januari 2015.

De deadline voor de VvE Publicatieprijs junior onderzoeker is: 3 februari 2015.

 

Kijk voor meer informatie en voorwaarden op: www.epidemiologie.nl.

Afscheid Giel Nijpels van VUmc en Hoorn-studie

West-Friese Diabetes Zorgsysteem voorbeeld voor heel Nederland

Het West-Friese Diabetes Zorgsysteem, beter bekend als de Hoorn-studie, heeft de afgelopen jaren veel nieuwe inzichten geboden in de complicaties van diabetes type 2. Zo weten we nu dat meer dan dertig procent van de patiŽnten complicaties heeft zoals schade aan het netvlies en de nieren. Daarnaast laat de Hoorn-studie zien dat hart- en vaatziekten drie tot vier maal vaker voorkomen bij mensen met diabetes. Ook heeft de studie geleid tot kosteneffectieve zorg van hoge kwaliteit. Prof. dr. Giel Nijpels, de grote voortrekker van de studie, nam vrijdag 24 oktober afscheid van de studie en VUmc.

 

Giel Nijpels constateerde als huisarts-onderzoeker dat de kwaliteit van de diabeteszorg in de eerste lijn beter kon. Daarom heeft hij het West-Friese Diabetes Zorgsysteem opgezet, dat de lokale eerstelijns diabeteszorg coŲrdineert en huisartsen ondersteunt. Ook krijgen alle patiŽnten jaarlijks een lichamelijk onderzoek en advies in het diabetesonderzoekcentrum in Hoorn.

 

Nijpels: "Diabetes is geen veroordeling tot levenslange slechte gezondheid. Wanneer de diagnose diabetes is gesteld, moet een patiŽnt zich regelmatig laten onderzoeken op complicaties. Ook is een goede glucose controle van groot belang." De Hoorn-studie laat ook zien dat de risico's op complicaties door diabetes niet voor iedere patiŽnt hetzelfde zijn. Een vroege diagnose, aanpassingen in de manier van leven en mogelijk medicijnen stellen patiŽnten in staat een lang en productief leven te leiden.

 

Voorbeeld voor heel Nederland

Nederland heeft een voorbeeld genomen aan de regio West-Friesland, waar als vervolg op de eerste Hoorn-studie een uitgebreid netwerk is opgezet voor diabetes-zorg. Meer dan achtduizend patiŽnten in de regio worden begeleid en behandeld door Diabeteszorg West-Friesland. Jaarlijks krijgen patiŽnten een bloedonderzoek, een oogonderzoek en een ECG en hebben ze contact met de diabetesverpleegkundige. Deze centrale controle van diabetespatiŽnten is nog niet doorgevoerd in andere Nederlandse regio's.

 

Internationale faam

Het onderzoek van Nijpels heeft internationale faam verworven en al meer dan 250 publicaties opgeleverd. In de toekomst richt het wetenschappelijk onderzoek zich vooral op de ontwikkeling van zorg op maat voor diabetespatiŽnten.

Proefschrift Marieke Blom

Sudden cardiac arrest: studies on risk and outcome

 

Promovendus: Marieke Blom

Promotiedatum: 8 oktober 2014

Universiteit: Universiteit van Amsterdam

Promotor: Prof.dr. A.A. Wilde en prof.dr. A. de Boer

Copromotor: Dr. H.L. Tan

 

In West Europa wordt 15-20% van alle sterfgevallen met een natuurlijke oorzaak veroorzaakt door een plotselinge hartstilstand. Om het aantal sterfgevallen door een plotselinge hartstilstand te reduceren kunnen twee wijzen van aanpak onderscheiden worden: 1) identificeer diegenen die risico lopen, om daarmee een plotselinge hartstilstand te voorkomen, en 2) optimaliseer de keten van zorg na een reanimatie buiten het ziekenhuis om de overleving na een plotselinge hartstilstand te verbeteren. Het risico van het optreden van een plotselinge hartstilstand zelf kan bestudeerd worden, maar ook indicatoren van risico op plotselinge hartstilstand kunnen onderwerp van studie zijn.

 

Deel I van dit proefschrift beschrijft vier studies naar risico-indicatoren op het ECG. Bij patiŽnten met epilepsie vonden we meer QTc verlenging en ERPs, en bij patiŽnten met schizofrenie meer Brugada-ECGs dan bij mensen zonder deze aandoeningen. Daarnaast onderzochten we in twee studies de invloed van haloperidol op de QTc tijd; QTc-verlenging kwam vooral voor bij patiŽnten met een normale QTc-duur bij de nulmeting. Omgekeerd zagen we een onverwachte QTc-verkorting optreden bij de meeste patiŽnten met een borderline of abnormale QTc-duur tijdens de nulmeting.

 

Deel II van dit proefschrift presenteert de rationale en opzet van dat deel van de AmsteRdam REsuscitatons STudies (ARREST), dat zich richt op identificatie van risicofactoren van een plotselinge hartstilstand buiten het ziekenhuis. Daarnaast bevat het een review over het cardiale natriumkanaal, medicatie en het risico op een plotselinge hartstilstand, en twee studies naar niet-cardiale risicofactoren van plotselinge hartstilstand buiten het ziekenhuis (gebruik van nortriptyline; obstructieve longziekte).

 

Deel III presenteert vervolgens drie cohort studies naar de uitkomst van reanimaties na een plotselinge hartstilstand buiten het ziekenhuis. We laten zien dat geslacht en/of co-morbiditeit (obstructieve longziekte) de kans op overleving beÔnvloeden. Tenslotte tonen we aan dat de overleving na een reanimatie tussen 2006 en 2012 significant gestegen is, en dat de toename in gebruik van automatische externe defibrillatoren (AEDs) deze stijging (althans statistisch) verklaard. Het percentage patiŽnten met gunstige neurologische uitkomst bleef hoog gedurende de onderzoeksperiode (89.9% tot 95.1%).

Proefschrift Milan Geybels

Advanced prostate cancer risk, selenium, and oxidative stress: the role of genetic variation and environment

 

Promovendus: Milan Geybels

Universiteit: Maastricht University

Promotiedatum: 29 oktober 2014

Promotor: Prof. dr. ir. P.A. van den Brandt en Prof. F.J. van Schooten

Copromotor: dr. B.A.J. Verhage

 

Gevorderde prostaatkanker is een type prostaatkanker dat geassocieerd is met een slechte prognose. Deze thesis gaat over risicofactoren voor gevorderde prostaatkanker. Wij onderzochten de mogelijke rol van selenium en de gerelateerde oxidatieve stress pathway. Oxidatieve stress is een biologische toestand die het gevolg is van een verstoorde balans tussen schadelijke reactieve zuurstofvormen (meer) en antioxidanten (minder). Oxidatieve stress is mogelijk betrokken bij veroudering en ouderdomsgerelateerde aandoeningen zoals prostaatkanker. Selenium is een essentieel micronutriŽnt en antioxidant. De oxidatieve stress pathway omvat verschillende endogene (genetische) en exogene (omgevingsfactoren) pro- en antioxidanten.

 

De analyses beschreven in deze thesis zijn uitgevoerd in de prospectieve Nederlandse Cohortstudie (58279 mannen bij baseline in 1986). De studiedeelnemers hebben aan het begin van de studie een gedetailleerde vragenlijst (o.a. over dieet en andere leefstijlfactoren) ingevuld. Daarnaast hebben ongeveer 80% van de deelnemers een teennagelmonster aangeleverd. Dit biologisch materiaal werd in dit onderzoek gebruikt voor (1) het bestuderen van genetische variatie en (2) de bepaling van seleniumconcentraties. Wij onderzochten genetische variatie in belangrijke selenoproteÔnegenen (de activiteit van selenium wordt uitgeoefend door deze genen) en genen van de oxidatieve stress pathway. Voor dit onderzoek werden de deelnemers van de studie 17.3 jaar gevolgd (1986–2003) voor het ontstaan van gevorderde (stadium III/IV of IV) prostaatkanker. De Nederlandse Cohortstudie maakt gebruik van het case–cohort design.

 

In Hoofdstuk 2 van de thesis onderzochten wij de associatie tussen teennagelseleniumwaarden en het risico op gevorderde prostaatkanker. Wij vonden dat een hogere seleniumwaarde geassocieerd was met een sterk verlaagd risico op gevorderde prostaatkanker.

 

In Hoofdstuk 3 bestudeerden wij de associaties tussen (tagging) genetische varianten in twee selenoproteÔnegenen, d.i., SEPP1 en GPX1, en gevorderde prostaatkanker. Wij onderzochten tevens mogelijke gen-omgevingsinteracties met teennagelselenium. De studie toonde aan dat het risico op gevorderde prostaatkanker werd beÔnvloed door de genetische varianten. De associatie tussen teennagelseleniumwaarden en gevorderde prostaatkanker werd echter niet gemodificeerd door de genetische varianten (d.i., geen gen–omgevingsinteractie).

 

In Hoofdstuk 4 en 5 van de thesis bestudeerden wij de inname van pro- en antioxidanten in relatie tot totaal en gevorderde prostaatkanker. De meeste pro- en antioxidanten waren niet geassocieerd, d.i., als individuele factor of gecombineerd in een score. Wij vonden wel dat een hogere inname van flavonoÔden (een groep antioxidanten) geassocieerd was met een verlaagd risico op gevorderde prostaatkanker. Deze bevinding heeft nood aan bevestiging van andere studies.

 

In Hoofdstuk 6 onderzochten wij de associaties tussen (kandidaat) genetische varianten in oxidatieve stress-gerelateerde genen en gevorderde prostaatkanker en bestudeerden potentiŽle interacties met inname van pro- en antioxidanten. Wij vonden dat een genetische variant in het catalase-gen (CAT) geassocieerd was met het risico op gevorderde prostaatkanker en identificeerden zeven statistisch significante gen–omgevingsinteracties.

 

Hoofdstuk 7 omvat een wetenschappelijke discussie, mogelijke beperkingen van het onderzoek, en aanbevelingen voor toekomstig onderzoek.

Proefschrift Eveline Hooft van Huysduynen

Towards healthy diets for parents: Effectiveness of a counselling intervention

 

Promovendus: Eveline J.C. Hooft van Huysduynen

Universiteit: Wageningen Universiteit

Promotiedatum: 7 november 2014

Promotor: Prof. dr. Cees M.J. van Woerkum

Copromotor: dr. Jeanne H.M. de Vries

 

Introduction and Objective: As parents’ modelling of dietary behaviour is one of the factors influencing children’s diets, improving parents’ diets is expected to result in improved dietary intake of their children. This thesis describes research that was conducted to develop and evaluate a counselling intervention to improve parental adherence to the Dutch dietary guidelines.

 

Methods: A counselling intervention was developed, which was underpinned with the theory of planned behaviour and the transtheoretical model. In 20 weeks, five face-to-face counselling sessions were provided by a registered dietician who used motivational interviewing to improve parental adherence to the Dutch dietary guidelines. In addition, parents received three individually tailored email messages. During the counselling, the dietary guidelines and additional eating behaviours, that were hypothesised to affect diet quality, were addressed. The intervention was evaluated in a randomised controlled trial with 92 parents receiving the counselling and 94 parents as controls. Effects on dietary intake, biomarkers, intermediate markers of health and children’s dietary intake were evaluated. With mediation analyses, it was investigated if changes in dietary intake were established via changes in behavioural determinants. Thereby, it was also examined if spot urine samples could be used to replace 24 h urine samples for evaluating changes in sodium and potassium intake.

 

Results: The intervention group increased their adherence to the dietary guidelines, as assessed with the Dutch Healthy Diet-index (ranging from 0 to 100 points), by 6.7 points more than the control group did. This improvement was achieved by small increases in the scores of seven out of ten index components. The most substantial changes were shown in fruit and fish intakes of which increases in fish intake were reflected in changes in fatty acid profiles derived from blood plasma. Also a small decrease in waist circumference was observed. Based on parental reports, the children in the intervention group increased their intakes of fruit, vegetables and fish more than the children in the control group. Improvements in parental fruit intake were mediated by changes in the behavioural determinants attitude and habit strength. Decreases in snack intake were mediated by changes in self-identity as a healthy eater. Although the results of a study in young Caucasian women showed that spot urine can be used to rank individuals for their ratios of sodium to potassium, no intervention effects on these ratios were observed.

 

Conclusion: This thesis provides empirical knowledge on potential effective elements for counselling interventions aiming at improving the dietary pattern as a whole of parents and provides knowledge on methods to evaluate changes in dietary intake.

Proefschrift Lies Lahousse

Epidemiology of comorbidities in Chronic Obstructive Pulmonary Disease

 

Promovendus: Lies Lahousse

Universiteit: Erasmus Universiteit, Rotterdam

Promotiedatum: 11 november 2014

Promotor: Prof. Guy Brusselle en Prof. Bruno Stricker

 

Gezond ouder worden vergt een krachtige bestrijding van ouderdomsziekten. Een vaak voorkomende aandoening bij ouderen is COPD, een chronische ziekte van de luchtwegen die veroorzaakt wordt door een langdurige blootstelling aan prikkelende stoffen zoals tabaksrook. De ziekte zorgt voor een aanhoudende ontstekingsreactie van de longen, die zich uit in klachten zoals langdurig hoesten, overmatige slijmproductie en kortademigheid. Vaak gaat de ontsteking van de longen echter ook samen met aantasting van andere organen. De aanwezigheid van dergelijke andere ziektes, ook wel comorbiditeiten genoemd, bepaalt in belangrijke mate de levenskwaliteit en levensverwachting van de COPD-patiŽnt. Daarom is het van vitaal belang deze comorbiditeiten te (h)erkennen en te bestuderen in de algemene bevolking. Dat is meteen ook het doel van mijn onderzoek: in een populatie van 15.000 ouderen nagaan welke aandoeningen bij COPD-patiŽnten meer voorkomen dan bij leeftijdsgenoten zonder COPD en hoe dat verklaard kan worden.

 

Een belangrijke vaststelling van het proefschrift is dat COPD een vervetting van de halsslagaderwand kan veroorzaken, wat het risico op beroertes danig vergroot. Daarnaast bleek er ook een verband te bestaan tussen COPD en microbloedingen in de hersenen. Microbloedingen zijn niet onschuldig gezien ze onderliggende vaatafwijkingen weerspiegelen en deels de verstandelijke en functionele achteruitgang bij COPD-patiŽnten kunnen verklaren. De voorkeurslocatie van deze kleine bloedingen verschafte ons bovendien inzicht in de onderliggende ontstaansmechanismen ervan. Voorgaand onderzoek toonde namelijk aan dat risicofactoren voor dergelijke microbloedingen dezelfde zijn als voor hart- en vaatziekten, zoals een hoge bloeddruk en tekenen van ontsteking in het bloed.

 

Algemeen stelden we ook vast dat tekenen van ontsteking in het bloed zorgen voor slechtere overlevingskansen bij COPD-patiŽnten. Dit doet vermoeden dat algemene ontstekingsreacties bijdragen tot de verschillende comorbiditeiten. Omdat er helaas nog geen medicatie bestaat om het tij te doen keren voor patiŽnten met COPD, onderzochten wij ten slotte ook het effect van statines. Deze cholesterolverlagende middelen bleken een gunstig effect te hebben op de overlevingskansen, vooral bij COPD-patiŽnten met tekenen van ontsteking in het bloed. Aangezien de afname van de longfunctie onomkeerbaar is, bieden deze resultaten nieuwe aangrijpingspunten om het leven van COPD patiŽnten te verbeteren.

 

Samenvattend kunnen we stellen dat ons onderzoek naar COPD en de mogelijke rol in andere ziektes duidelijk aangetoond heeft dat COPD een ziekte is met vele gezichten en dat de aandoening een brede aanpak verdient. Met dit proefschrift hebben we zuurstof gegeven aan verder onderzoek dat zich hopelijk vertaalt in minder zuurstoftekort voor patiŽnten met COPD.

Proefschrift Linde van Lee

The Dutch Healthy Diet index –

Development, evaluation, and application

 

Promovendus: Linde van Lee

Universiteit: Wageningen Universiteit

Promotiedatum: 11 november 2014

Promotor: Prof. dr. ir. Edith JM Feskens

Copromotor: dr. ir. Anouk Geelen

 

Background: Dietary indices evaluate the conformity of an individual’s diet with pre-defined standards. Generally, dietary guidelines are used for this purpose. As no index based on the current dietary guidelines was available in the Netherlands, the aim of the present thesis was to develop, evaluate, and apply a dietary index for use in the country.

 

Methods and results: The Dutch Healthy Diet index (DHD-index) was developed on the basis of the 2006 Dutch dietary guidelines using data relating to 749 young adults who completed two 24-hour recalls in the Dutch national food consumption survey 2003. The index comprises ten components on physical activity, vegetables, fruit, dietary fiber, saturated fatty acids, trans fatty acids, consumption occasions with acidic drinks and foods, sodium, and alcohol. Scores for each component range between 0 (no adherence) and 10 (complete adherence) points. The DHD-index was inversely associated with energy intake and positively associated with most micronutrient intakes when adjusted for energy intake. We compared the DHD-index score based on two 24-hour recalls with the index based on the food frequency questionnaires (FFQ) of 121 adults from the European Food Consumption Validation study. We revealed an acceptable correlation (r=0.48) and absolute agreement between the indices based on the two methods. The prospective relationship with mortality outcomes was studied in 3593 of the Rotterdam Study participants who were followed for 20 years. The DHD-index per 10 points increment was associated with a 9% (95% CI 0.87-0.96) risk reduction for all-cause mortality, and non-significantly associated with risk reductions for cardiovascular disease, coronary heart disease, and stroke mortality. Among women, shared dinners were associated with lower DHD-index scores for that day than solo dinners in 1740 participants who contributed multiple 24-hour recalls in the Nutrition Questionnaires plus study. Among men and women, dinners shared with family members were associated with a higher DHD-index score on that day than dinners shared with others. Furthermore, in a subsample of 1235 participants in the Nutrition Questionnaire plus study, we evaluated the DHD-index based on the newly developed 34-item DHD-FFQ, a short questionnaire to assess diet quality in time-limited settings. The DHD-index based on the DHD-FFQ showed an acceptable correlation (r=0.56) with the index based on a 180-item FFQ, but showed a large variation in bias at individual level.

 

Conclusions: The DHD-index based on an FFQ, on multiple 24-hourrecalls, or on the DHD-FFQ was considered a valid tool to rank participants according to their diet quality. The DHD-index was therefore considered useful to monitor populations, study diet–disease associations, and identify subpopulations at risk of poor diet quality.

Proefschrift Lara Siebeling

COPD in primary care

Towards simple prediction of quality of life, exacerbations and mortality

 

Promovenda: Drs. L. Siebeling, huisarts

Promotiedatum: 10 oktober 2014

Universiteit: Universiteit van Amsterdam, Faculteit der Geneeskunde

Promotoren: Prof. dr. H.C.P.M. van Weert

Copromotoren: Prof. dr. M.A. Puhan & dr. G. ter Riet

 

Wereldwijd hebben minstens 210 miljoen mensen Chronische Obstructieve Long Ziekte (COPD) en de verwachting is dat COPD in 2019 de op twee na meest voorkomende doodsoorzaak is. COPD heeft een groot effect op het leven van de patiŽnt, zijn directe omgeving en de maatschappij. De sociale en economische impact is enorm. Er is grote behoefte aan een praktisch predictiemodel voor de huisarts zodat in een zo vroeg mogelijk stadium de juiste behandeling voor een patiŽnt gekozen kan worden. Er bestaan een aantal predictiemodellen om bijvoorbeeld de 2- of 3-jaars sterftekans te voorspellen bij COPD patiŽnten. Echter, vanuit het perspectief van de patiŽnt is het voorspellen van het ziektebeloop in termen van ziekte-gerelateerde kwaliteit van leven (KvL) waarschijnlijk belangrijker. Veelal worden predictiemodellen ontwikkeld in een andere setting dan de eerstelijns setting (bijvoorbeeld ziekenhuis of revalidatiekliniek) waardoor deze modellen ofwel verkeerde kansen leveren ofwel onbekend is hoe goed ze presteren in een eerstelijns setting. Daarnaast bevatten de bestaande modellen veelal variabelen die een huisarts niet voorhanden heeft waardoor hij/zij ze niet kan gebruiken, terwijl toch het merendeel van de patiŽnten met COPD in de eerstelijn door hun huisarts wordt behandeld. Tot voor kort was er dus geen model beschikbaar waarmee huisartsen de KvL kunnen voorspellen.

 

Methode

Bovenstaande overwegingen hebben geleid tot de ontwikkeling van een internationale prospectieve cohort studie met eerstelijns COPD patiŽnten, de ICE COLD ERIC studie. In de eerste plaats is het doel van deze studie het ontwikkelen van modellen die de KvL kunnen voorspellen voor eerstelijns COPD patiŽnten, en in de tweede plaats het voorspellen van exacerbaties en sterfte. Zoals het proefschrift laat zien, kan een dergelijke studie vaak ook licht werpen op andere, verwante zaken.

 

De KvL wordt gemeten met de Chronic Respiratory Questionnaire (CRQ), een vragenlijst die makkelijk gebruikt kan worden in de huisartspraktijk. Deze vragenlijst geeft zowel een totale score als een specifieke score op verschillende gebieden/domeinen van KvL. Deze domeinen zijn: kortademigheid, vermoeidheid, emotionele beperkingen en het gevoel het ziektebeloop te kunnen beÔnvloeden en controle te behouden. Een belangrijke overweging om per domein een voorspelling te doen is dat dit ook per domein zou kunnen leiden tot verschillende therapeutische interventies. Een te verwachten daling op het gebied van kortademigheid heeft mogelijk andere therapeutische consequenties dan een te verwachten daling met betrekking tot de emotionele beperkingen.

 

Alle potentiŽle variabelen voor de prognostische modellen zijn geselecteerd op basis van hun praktische toepasbaarheid in de moderne huisartspraktijk, zoals bijvoorbeeld in Zwitserland en Nederland. De 6-minuten-loop-test, een bekende en vaak gebruikte prognostische test in een tweede/derdelijns setting is om die reden bijvoorbeeld niet geselecteerd als potentiŽle variabele voor onze modellen. Voor de selectie van de variabelen voor het predictiemodel hebben we gebruik gemaakt van de lasso methode (least absolute selection and shrinkage operator).

 

Belangrijkste conclusies & Gevolgen voor de praktijk

• Voorgaande COPD-gerelateerde kwaliteit van leven scores bleken de sterkste voorspellers van toekomstige kwaliteit van leven. Bij patiŽnten informeren naar kortademigheid, vermoeidheid, emotionele beperkingen en het gevoel het ziektebeloop te kunnen beÔnvloeden en controle te behouden geeft belangrijke informatie betreffende toekomstige kwaliteit van leven. Vaak gebruikte voorspellers zoals longfunctiemeting en functionele capaciteit, die lastiger te meten zijn, bleken weinig toegevoegde waarde te hebben. De predictiemodellen zijn speciaal ontwikkeld in en voor de huisartspraktijk. Ze bevatten alleen predictoren die huisartsen in relatief korte tijd kunnen meten. Afhankelijk van de uitkomst per kwaliteit van leven-domein, kunnen huisartsen en patiŽnten het te verwachten beloop van de ziekte bespreken en prioriteiten maken wat betreft de mogelijke behandelingen. Om het gebruik van deze modellen in de huisartspraktijk te bevorderen, hebben we nomogrammen gemaakt voor alle modellen.

 

• Simpelere manieren om functionele capaciteit te meten, zoals de 1 minuut durende zitten-en-opstaan-test en de knijpkrachttest leken sterk gerelateerd met sterfte, matig gerelateerd met KvL en niet met exacerbaties. De meer gecompliceerde maar bekendere tests om functionele capaciteit te meten, zoals bijvoorbeeld de 6-minuten-looptest, is over het algemeen niet haalbaar in de huisartspraktijk. De praktische 1 minuut durende zitten-en-opstaan-test en de knijpkracht test lijken een prima alternatief.

 

• Met betrekking tot het meten van fysieke activiteit is naar voren gekomen dat de LAPAQ vragenlijst minder geschikt is om fysieke activiteit precies te meten bij ouderen, in vergelijking met een accelerometer, gebruikt als referentiemethode. Toch is de LAPAQ goed bruikbaar om die patiŽnten te selecteren die (niet) voldoen aan internationale richtlijnen voor voldoende bewegen.

 

• Het is gebleken dat de meest gebruikte methode om het aantal exacerbaties te meten, namelijk zelfrapportage door de patiŽnt, onvoldoende goed het aantal exacerbaties kan meten in vergelijking met beoordeling door ťťn of meerdere expert(s). Het niet goed meten van exacerbaties kan leiden tot misclassificatie, wat op zijn beurt weer kan leiden tot een onderschatting van een eventueel effect van behandeling in wetenschappelijk onderzoek. Het raadplegen van een adjudicatie commissie, bestaande uit experts die exacerbaties meten als uitkomstmaat, zou een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan wetenschappelijk onderzoek alsmede mogelijk in het verlagen van de kosten ervan.

Aankondiging Evidence Based Practice

Klik op de afbeelding voor de volledige versie

www.amc.nl/masterebp

Vacatures

Bekijk hier de vacatures. Er zijn heden vier vacatures.

• Zelfstandig Academisch Personeel / Universiteit Antwerpen

• Zelfstandig Academisch Personeel / Universiteit Antwerpen

• Zelfstandig Academisch Personeel / Universiteit Antwerpen

• Research Manager / Mapi

 

Agenda

Bekijk hier de agendaberichten.