Epistel 7/8: juli & augustus 2014

Voorwoord

Beste lezer,

De zomer is in volle gang en het is duidelijk merkbaar dat het vakantie is. Behalve dan in deze Epistel! Er is weer veel leuke kopij aangeleverd. Zo zijn er twee proefschriftsamenvattingen. Eťn is er van Romy Gaillard die onderzoek deed naar cardiovasculaire gezondheid in zwangere vrouwen en hun kinderen binnen de Generation R studie. De andere samenvatting is van Lieke Wielders die onderzoek deed naar de lange termijn gevolgen van Q-koorts. De rubriek “Hoe gaat het met…” is terug van een korte vakantie. Dit keer vertelt Lucas Wiessing vanuit Lissabon over zijn werk en loopbaan. Naast deze interessante bijdragen zijn er ook nog een hele serie aankondigingen zodat u zich deze zomer alvast kan voorbereiden op het nieuwe ‘jaar’.Olga Souverein

Rectificatie

In Epistel nummer 7, juni 2014 werd vermeld dat Huib Burger (nieuw bestuurslid VvE) hoofd is van de afdeling huisartsgeneeskunde binnen het UMCG. Dit moet zijn: Huib Burger is Universitair Hoofddocent klinische epidemiologie, hoofd van de sectie onderzoek van de afdeling huisartsgeneeskunde binnen het Universitair Medisch Centrum Groningen.

Onze oprechte excuses voor de niet correcte vermelding. In het archief is de vermelding reeds aangepast.

Nieuwe poll op de VvE website

Voldoet de website aan uw wensen en kunt u de informatie vinden die u nodig heeft? Vul de poll in! Wij zijn benieuwd naar uw mening!

Hoe gaat het met ... ?

Naam: Lucas Wiessing

Functie: Principal Scientist

Bedrijf/instelling: European Monitoring Centre for Drugs and Drug Addiction (EMCDDA), Lissabon, www.emcdda.europa.eu

 

Wat houdt uw functie in? Het EMCDDA heeft als taak het monitoren van het drugsprobleem in Europa. Ik hou me vooral bezig met infectieziekten gerelateerd aan injecterend drugsgebruik (voornamelijk HIV/aids en hepatitis B/C, maar ook anthrax, botulisme etc). Ik help methoden ontwikkelen om de monitoring hiervan op Europees niveau te verbeteren en coŲrdineer de rapportage van de epidemiologische situatie in de EU landen. Ons doel is informatie te genereren om preventie en (toegang tot) behandeling te verbeteren. Wij proberen bijvoorbeeld uit de vaak beperkte data prevalentie / incidentie en de dekkingsgraad van preventieve maatregelen (spuitomruil, methadon) te schatten. Vaak doen we dat in samenwerking met mathematisch modelleurs, sociale wetenschappers, economen en clinici en meestal in gezamenlijke projecten met collega instituten (bv ECDC, WHO, UNAIDS, UNODC). Wij werken direct met dertig landen (EU+2), vaak ook in samenwerking met experts uit andere landen (o.a. VS, Australie).

 

Waar wordt u enthousiast van in uw werk? Het in teamverband werken aan relevante epidemiologische projecten en papers die zowel van belang zijn voor public health en onze doelgroep van druggebruikers, als ook intellectueel stimulerend zijn. Het samenwerken met vele tientallen experts in de dertig landen, het onderhouden van een netwerk van mensen die op dezelfde onderwerpen enthousiast worden. Het organiseren en voorzitten van onze jaarlijkse infectieziekten expert meeting waarin vaak ‘cutting edge’ onderzoek gepresenteerd en besproken wordt (50-100 deelnemers, conference format).

Een spannend moment was bijvoorbeeld toen in 2011 vrijwel tegelijkertijd twee uitbraken van HIV onder injecterende druggebruikers werden gerapporteerd door Griekenland en Roemenie, in samenwerking met ons, en wij direct expert meetings hielpen organiseren en advies gaven o.a. door de minister van volksgezondheid te informeren dat de hoeveelheid schone spuiten die werden uitgedeeld tenminste een factor tien te laag was. Daar is toen onder leiding van Griekse experts, opnieuw in samenwerking met ons en andere Europese en Amerikaanse collega’s, een ambitieus en kwalitatief hoogstaand interventie-onderzoek uitgekomen dat zeer waarschijnlijk een flinke bijdrage heeft geleverd aan het afremmen van de incidentie. Er zijn al enkele artikelen uitgekomen en vier abstracts worden deze maand gepresenteerd op de Internationale AIDS Conferentie in Melbourne.

 

Welk pad heeft u afgelegd voordat u in deze functie kwam? Ik ben Wagenings ingenieur (Voeding) en ben begonnen als datamanager op de GGD Amsterdam bij Frits van Griesven / Roel Coutinho, vervolgens vrij snel op het RIVM terechtgekomen (Hans Houweling, Marc Sprenger – eerst nog in combinatie met een tijdelijke deeltijdbaan op UvA/AMC bij Bertie Lumey), waar ik al snel ook verantwoordelijk werd voor het analyseren en rapporteren van HIV/aids onderzoek, voornamelijk survey’s in verschillende risicogroepen. Op een gegeven moment was er veel geld voor onderzoek naar drugsgebruikers en hebben wij een serie dwarsdoorsnede onderzoeken in verschillende steden in Nederland uitgevoerd. Toen werd ik getipt over een internationale baan voor een epidemioloog in Lissabon...

 

Wat wilt u in de toekomst nog graag bereiken? Het plezierigste aan mijn baan vind ik de mogelijkheid om veel aan wetenschappelijke artikelen te werken, dus ten eerste om daar in de toekomst zoveel mogelijk tijd in te kunnen blijven steken. Daarnaast zou het misschien wel leuk kunnen zijn om eens van positie te veranderen en een vergelijkbare baan in een andere setting te hebben, echter ik zie niet veel plekken die de voordelen bieden die ik nu geniet en ik heb het hier erg naar mijn zin, dus ik heb geen haast. Tenslotte zou het prachtig zijn als ik over een jaar of tien kan zeggen dat epidemieŽn van HIV en hepatitis onder drugsgebruikers in Europa tot het verleden behoren. Hierin is Nederland wel degelijk een gidsland geweest.

 

Wilfrid van Pelt wil u graag het volgende vragen:

"Hoe is het om epidemioloog te zijn in een ander land? Lijkt de problematiek van HIV, daklozen en drugsverslaafden daar op die in Nederland?"

Het is fantastisch om epidemioloog te zijn in een mooi en aangenaam land als Portugal, maar tegelijk niet verantwoordelijk te zijn voor of beperkt te zijn tot de nationale situatie. Ik denk dat in een kleiner en minder bemiddeld land de mogelijkheden voor een epidemioloog beperkter zijn. Ook zou ik daar, al spreek ik de taal inmiddels goed, als niet-Portugees mogelijk in het nadeel zijn. Op internationaal niveau is er daarentegen een hele hoop ruimte om aan verschillende dingen te werken en om nieuwe projecten op te zetten met een enorme keuze aan uitstekende collega’s. Ik kan iedereen aanraden om een tijdje in het buitenland te gaan werken, al is dat in mijn geval wat uit de hand gelopen (ik dacht dat het een leuke ervaring zou zijn om twee of drie jaar op een Europees centrum door te brengen en zit hier inmiddels al 18 jaar…). Het is wel van groot belang dat een eventuele partner een baan heeft of op een andere manier zinnig bezig is. In mijn geval is dat goed gegaan aangezien mijn partner van thuis uit een Europese NGO op milieugebied kan leiden met haar team en kantoor in Brussel.

 

De problematiek van HIV, daklozen en drugsverslaafden is in Portugal heel anders dan in Nederland. Nederland is in Europa momenteel het land met mogelijk de laagste prevalentie van injecterend drugsgebruik dus in vrijwel elk ander land is de situatie veel ernstiger. Wel is o.a. dankzij het werk van mijn collega’s op het EMCDDA het nationale beleid in Europa naar elkaar toegegroeid en is er geen discussie meer of spuitomruil of methadon wel verstrekt moeten worden (in sommige Oost-Europese landen is methadon bijvoorbeeld nog niet toegestaan, wat daar tot een zeer ernstige HIV epidemie en hoge sterfte onder injecterende drugsgebruikers bijdraagt). In veel landen zelfs binnen de EU worden drugsgebruikers nog vaak opgepakt en in de gevangenis gegooid wat tot zeer ernstige verstoring van hun sociale situatie en het tenietdoen van public health maatregelen kan leiden. Portugal loopt overigens voorop in het zogenaamde ‘decriminaliseren’ van drugsgebruik en is op dat gebied nu een internationaal voorbeeld. De recente HIV epidemieŽn onder drugsgebruikers in Griekenland en Roemenie, o.a. toe te schrijven aan zeer lage dekkingsgraad van preventie, hebben onlangs aangetoond dat er in veel EU landen nog een hele hoop moet gebeuren.

Uit het Federa bulletin: Verbeteringen in onderzoeksklimaat op komst

Bron: Federa bulletin – juli 2014

 

Op grond van gezamenlijke belangen in het biomedisch onderzoek heeft de Federa het contact met het Rathenau Instituut nieuw leven ingeblazen. Hierbij hebben met name maatschappelijke en publieksperspectieven in biomedische innovatie de aandacht. De Federa zal actief deelnemen aan begeleidingscommissies, debatten en paneldiscussies. Voorbeelden van thema’s zijn public health genomics, big data in de zorg en biomedische technologie.

 

Secretaris John Jacobs heeft drie bijeenkomsten bezocht van het Rathenau Instituut over vertrouwen in de wetenschap. De Federa wil bijdragen aan meer bidirectionele uitwisseling van informatie tussen wetenschap en o.a. patiŽnten.

 

Om aan slagkracht te winnen is de Federa bezig ook met andere overkoepelende organisaties het contact te intensiveren. Het bevorderen van een gezond onderzoeksklimaat is het centrale thema.

 

- De Federa en ZonMw hebben elkaar als officieel gesprekspartner erkend.

- Een verkennend gesprek is door voorzitter Leendert Looijenga gevoerd met de Orde van Medisch Specialisten.

- Met de Vereniging Medisch Wetenschappelijke Onderzoekers (VMWO) praat de Federa over mogelijkheden om aan het carriŤreperspectief van onderzoekers te werken.

- Met de Stichting Informatie Dierproeven (SID) bestaat al langer uitwisseling. De SID geeft uitleg over dierproeven aan het publiek in begrijpelijke taal. Ook collectebusfondsen zouden begrip kunnen kweken bij het publiek, maar die zijn daar over het algemeen huiverig voor. Onderzoekers kunnen wellicht in hun contacten met collectebusfondsen aandacht voor de voorlichting over dierproeven vragen, en zo bijdragen aan een gezond onderzoeksklimaat.

Proefschrift Lieke Wielders

Long-term follow-up of acute Q fever patients after a large epidemic

 

Promovendus: Lieke Wielders

Promotiedatum: 1 juli 2014

Universiteit: Universiteit Utrecht

Promotor: Prof. dr. R.A. Coutinho

Copromotoren: Dr. P.M. Schneeberger (Jeroen Bosch Ziekenhuis), Dr. W. van der Hoek (RIVM)

 

De Q-koortsepidemie in Nederland, die van 2007 tot en met 2009 duurde, heeft grote gevolgen gehad voor de mensen die deze ziekte hebben opgelopen, vaak met aanzienlijke lange termijn effecten op de kwaliteit van leven. Deze enorme epidemie is wetenschappelijk onderzocht om de kennis op het gebied van Q-koorts te vergroten. Mijn proefschrift, getiteld ‘Long-term follow-up of acute Q fever patients’, bevat verschillende studies die bijdragen aan het opvullen van hiaten in de internationale Q-koortsliteratuur.

 

De Nederlandse Q-koortsepidemie is de grootste tot nu toe wereldwijd gerapporteerd en werd veroorzaakt door de verspreiding van de bacterie Coxiella burnetii van geÔnfecteerde geiten naar mensen. Meer dan 3.500 humane acute Q-koortspatiŽnten werden gemeld tijdens deze periode. Ongeveer 60% van de personen die geÔnfecteerd raken met C. burnetii hebben een asymptomatisch verloop. Bij de overige 40% ontstaat een griepachtig ziektebeeld of kan een pneumonie of hepatitis ontstaan. Op dat moment wordt het acute Q-koorts genoemd. Na de acute episode ontstaat bij ongeveer 2% een chronische infectie. Chronische Q-koorts manifesteert zich voornamelijk als endocarditis of een vasculaire infectie en heeft een hoge morbiditeit en mortaliteit. Vroege detectie en behandeling kan de prognose voor de patiŽnt verbeteren. Een bewezen effectieve methode om chronische Q-koorts op te sporen is het aanbieden van follow-up aan alle acute Q-koortspatiŽnten waarbij antistofniveaus tegen C. burnetii gecontroleerd worden. Uit de systematische literatuur review dat opgenomen is in mijn proefschrift blijkt, dat er echter geen consensus is over de timing, frequentie en duur van deze follow-up.

 

Vanwege de epidemie was het mogelijk een groot cohort van acute Q-koortspatiŽnten te volgen in de tijd. Hierdoor kunnen de huidige follow-up strategieŽn gevalideerd worden. In het Jeroen Bosch Ziekenhuis te ’s-Hertogenbosch kregen alle patiŽnten na drie, zes en twaalf maanden routinematig serologische follow-up aangeboden. Ruim 1.900 patiŽnten werden uitgenodigd om ongeveer vier jaar na de diagnose nogmaals bloed te laten afnemen. De afweerstoffen werden onderzocht bij 1.289 deelnemers. Bij een chronische Q-koorts verdenking werden deelnemers verwezen naar het ziekenhuis voor verder onderzoek. Een IgG fase I titer ≥1:1.024 (immunofluorescentie assay (IFA)) wordt als een belangrijke indicator gezien voor een chronische infectie. In totaal werd in vier jaar tijd bij 4,5% van de 1.289 deelnemers chronische Q-koorts gediagnosticeerd. Bij de meerderheid (89,7%) werd dit echter al in het eerste jaar na de acute infectie vastgesteld. Gebaseerd op deze resultaten wordt een ťťnmalige controle geadviseerd na twaalf maanden voor patiŽnten met acute Q-koorts die geen risicofactoren (hartklep of vaataandoening) hebben voor een chronische infectie. Aanvullende serologische en klinische follow-up wordt geadviseerd voor personen met een IgG fase I titer ≥1:512 bij deze controle na twaalf maanden. Met de adviezen die uit dit onderzoek naar voren komen, zou 98% van de chronische Q-koortspatiŽnten die in het onderzoek gediagnosticeerd zijn, opgespoord worden. Dit follow-up onderzoek werd gefinancierd door ZonMw (subsidienummer 205520006).

 

Ten tijde van de Nederlandse epidemie waren er geen nationale richtlijnen over het aanbieden van serologische controles en daarom gebruikte ieder Laboratorium voor Medische Microbiologie (LMM) een eigen follow-up strategie. In een onderzoek uitgevoerd met gegevens van drie laboratoria in Noord-Brabant werden grote verschillen gevonden in het percentage van de patiŽnten dat follow-up aangeboden kreeg. Binnen 15 maanden na de diagnose kreeg 95% van de patiŽnten minimaal ťťn controle aangeboden bij het laboratorium met een actief oproepsysteem (patiŽnten werden direct benaderd door het laboratorium). Wanneer de infectie vastgesteld werd door een LMM zonder deze dienstverlening (alleen testen uitvoeren wanneer aangevraagd door een behandelend arts), werd bij 25% van de patiŽnten minimaal ťťn controle verricht binnen 15 maanden (odds ratio 54, 95% betrouwbaarheidsinterval 43−67). Het aandeel gemiste chronische infecties is daarom mogelijk hoger in gebieden met een laag controlepercentage vergeleken met gebieden met een hoog follow-uppercentage. Advies over serologische controles dient daarom opgenomen te worden in landelijke richtlijnen en in informatiefolders voor patiŽnten.

 

In mijn proefschrift is ook een onderzoek opgenomen over de karakteristieken van opgenomen acute Q-koortspatiŽnten. Zij presenteerden zich meestal met koorts en pneumonie, in tegenstelling tot patiŽnten uit Frankrijk waar hepatitis juist vaker wordt gezien. Opgenomen acute Q-koortspatiŽnten met een pneumonie waren jonger, hadden minder onderliggend lijden en lagere scores voor de ernst van de pneumonie (PSI en CURB-65) dan andere patiŽnten opgenomen met een andere buiten het ziekenhuis opgelopen pneumonie (community-acquired pneumonia).

 

Tenslotte beschrijf ik nog twee onderzoeken over diagnostische methoden die gebruikt worden bij het stellen van de diagnose. PCR is zeer effectief voor de diagnose van acute Q-koorts in de vroege fase van de infectie (eerste ziektedag minder dan 15 dagen geleden), wanneer DNA van de bacterie C. burnetii in het bloed aanwezig is, maar nog geen antistoffen tegen de bacterie zijn gemaakt. Uit dit onderzoek blijkt dat bij personen die later een serologisch profiel ontwikkelden dat indicatief is voor chronische Q-koorts (IgG fase I ≥1:1.024) significant hogere C. burnetii DNA hoeveelheden aanwezig waren tijdens de initiŽle ziektefase dan bij patiŽnten die lagere IgG fase I titers hadden. Vanwege deze bevinding dient tijdens de follow-up extra aandacht geschonken te worden aan deze patiŽnten met een grote hoeveelheid C. burnetii DNA tijdens de initiŽle ziektefase. Wanneer de antistofrespons tot ontwikkeling is gekomen, wordt serologie de meest belangrijke diagnostische methode. IFA, enzyme-linked immunosorbent assay (ELISA) en complementbindingsreactie presteren alle drie even goed bij het stellen van de diagnose, maar twee monsters zijn nodig om de definitieve laboratoriumdiagnose te kunnen stellen. IFA blijkt echter op de langere termijn de meest sensitieve test en wordt daarom aanbevolen voor bijvoorbeeld pre-vaccinatie screening en seroprevalentieonderzoek.

Proefschrift Romy Gaillard

Cardiovascular health in pregnant women and their children. The Generation R Study

 

Promovendus: Romy Gaillard

Promotiedatum: 25 juni 2014 (cum laude)

Universiteit: Erasmus Universiteit, Rotterdam

Promotoren: Prof. dr. V.W.V. Jaddo, Prof. dr. E.A.P. Steegers

 

Het onderzoek beschreven in mijn proefschrift ‘ Cardiovascular health in pregnant women and their children: The Generation R Study’ is gericht op het identificeren van maternale, placentale en foetale factoren tijdens de zwangerschap, die geassocieerd zijn met cardiovasculaire gezondheidsuitkomsten bij moeders en kinderen. Dit onderzoek maakt deel uit van het Generation R onderzoek.

 

Hart- en vaatziekten hebben wereldwijd een grote impact op de volksgezondheid. Vanwege de klinische impact van cardiovasculaire ziekten op oudere leeftijd, is onderzoek naar risicofactoren van cardiovasculaire ziekten voornamelijk gericht op volwassenen. Het is echter ook van belang een beter inzicht te krijgen in factoren van invloed op de cardiovasculaire gezondheid van zwangere vrouwen en kinderen. Het identificeren van factoren, die van invloed zijn op de cardiovasculaire gezondheid van zwangere vrouwen en hun kinderen, kan bijdragen aan het ontwikkelen van strategieŽn om de cardiovasculaire gezondheid gedurende het hele leven en in toekomstige generaties te verbeteren.

 

Ten eerste hebben we de relatie tussen maternale factoren en gezondheidsuitkomsten bij zwangere vrouwen en hun kinderen onderzocht. We vonden dat nullipare vrouwen een hogere systolische en diastolische bloeddruk in elk trimester van de zwangerschap hadden en een hoger risico op hypertensieve zwangerschapscomplicaties. Eerstgeboren kinderen hadden een verminderde foetale groei vanaf het derde trimester, en een hoger risico op vroeggeboorte en een laag geboortegewicht. Eerstgeboren kinderen hadden ook een versnelde groei in de eerste 24 maanden van het leven, een hoger risico op overgewicht en een ongunstig cholesterolprofiel op de kinderleeftijd. Deze bevindingen suggereren dat maternale nullipariteit een belangrijke risicofactor is voor maternale hemodynamische maladaptaties en vasculaire complicaties tijdens de zwangerschap en langdurige cardiovasculaire gevolgen kan hebben voor kinderen. Maternale obesitas voor de zwangerschap en excessieve gewichtstoename tijdens de zwangerschap waren geassocieerd met een verhoogd risico op zwangerschapscomplicaties. Zowel een hogere body mass index bij aanvang van de zwangerschap van de moeder als de vader was geassocieerd met een ongunstig cardiovasculair profiel bij de kinderen. Body mass index van de moeder was sterker geassocieerd met nadelige kinduitkomsten dan body mass index van de vader. De associaties van maternale body mass index voor de zwangerschap met de cardiovasculaire gezondheid van het kind werden niet verklaard door maternale factoren, geboortefactoren of kindfactoren. Deze bevindingen suggereren dat maternale body mass index voor de zwangerschap van invloed is op de cardiovasculaire gezondheid van kinderen, mogelijk voor een deel via directe intra-uteriene mechanismen. Een hogere maternale gewichtstoename in het begin van de zwangerschap, maar niet later in de zwangerschap, was ook geassocieerd met een verhoogd risico op overgewicht en clustering van cardiovasculaire risicofactoren bij kinderen. De effecten van gewichtstoename tijdens de zwangerschap op de cardiovasculaire gezondheid van het kind, kunnen dus afhankelijk zijn van de periode waarin de gewichtstoename plaatsvindt. Onze resultaten suggereren dat specifiek de vroege zwangerschap een kritieke periode is voor gewichtstoename tijdens de zwangerschap.

 

Ten tweede beschrijven we in dit proefschrift studies gericht op de hemodynamische functie van de placenta en groei van de foetus in relatie tot moeder- en kinduitkomsten. Hogere resistance indices van de arteria umbilicalis en arteria uterina in het tweede en derde trimester waren geassocieerd met een hoger risico op pre-eclampsie, vroeggeboorte en laag geboortegewicht. In dit proefschrift laten we ook zien dat een hogere vaatweerstand in de arteria umbilicalis, maar niet een verhoogde vaatweerstand in de arteria uterina, is geassocieerd met een hogere body mass index, een hogere vetmassa, een ongunstigere androÔde/gynoÔde vet-ratio, een hogere systolische bloeddruk, en met een lagere linker ventrikel massa op de kinderleeftijd. Deze associaties werden niet verklaard door geboortegewicht. Daarnaast tonen we voor het eerst aan, dat eerste trimester foetale groeivertraging geassocieerd is met een ongunstige verdeling van lichaamsvet, hogere diastolische bloeddruk en een ongunstig cholesterolprofiel op de kinderleeftijd. Deze associaties werden niet verklaard door maternale factoren, geboortefactoren of kindfactoren. Deze bevindingen suggereren dat het eerste trimester een kritieke periode zou kunnen zijn voor cardiovasculaire en metabolische functie op latere leeftijd.

 

Samenvattend suggereren de bevindingen van dit proefschrift dat maternale, placentale en foetale factoren geassocieerd zijn met cardiovasculaire gezondheidsuitkomsten in moeders en kinderen. Op basis van onze bevindingen, blijkt de vroege zwangerschap een kritieke periode voor gezondheidsuitkomsten van zwangere vrouwen en hun kinderen te zijn. Het is dan ook van belang dat preventieve strategieŽn zich richten op het verbeteren van de maternale gezondheidsstatus in de preconceptionele periode en in het begin van de zwangerschap om maternale zwangerschapsuitkomsten en de cardiovasculaire gezondheid van kinderen te verbeteren.

Bericht Hartstichting

Eerder herkennen hart- en vaatziekten komende jaren topprioriteit Hartstichting

 

Samenleving kiest prioriteiten hart- en vaatonderzoek

 

Onderzoek naar het eerder herkennen van hart- en vaatziekten krijgt de hoogste prioriteit van de Hartstichting de komende jaren. Andere belangrijke investeringen zullen gaan naar onder meer hart- en vaatziekten bij vrouwen en een betere behandeling van hartfalen en hartritmestoornissen. Dat is de uitkomst van een oproep van de Hartstichting aan de samenleving om te laten weten welk onderzoek prioriteit moet krijgen. Bijna 12.500 mensen brachten hun stem uit.

 

De Hartstichting vroeg wetenschappers, patiŽnten en hun naasten, zorgverleners, donateurs en vrijwilligers hun stem uit te brengen. Op basis van de uitkomsten van de stemming presenteert de Hartstichting haar onderzoeksagenda voor de komende jaren:

1. het eerder herkennen van hart- en vaatziekten

2. hart- en vaatziekten bij vrouwen

3. betere behandeling van hartfalen en hartritmestoornissen

4. acute behandeling van beroertes

5. nieuwe manieren om een gezonde leefstijl lang vol te houden

 

Overtuigend en eensgezind

De uitslag van de stemming voor de onderwerpen die op de onderzoeksagenda komen was overtuigend en eensgezind: bij het stemmen bleek weinig verschil in keuze tussen de verschillende groepen die hun stem uitbrachten. Onderzoek naar nieuwe manieren om een gezonde leefstijl lang vol te houden is de grootste wens van wetenschappers en zorgverleners.

 

Floris Italianer, directeur: “We hadden niet verwacht dat de samenleving zů duidelijk en eensgezind zou kiezen. Nu we weten waar de behoeften en de kansen liggen, kunnen we ons geld nog gerichter inzetten. De Hartstichting wil de komende vijf jaren 50 miljoen euro werven voor de onderzoeksprioriteiten uit de samenleving.“

 

Online stemmen en gesprekken

Via een online vragenlijst konden mensen 6 weken lang stemmen op 17 onderzoeksthema’s. De thema’s op de vragenlijst waren bepaald in groepsgesprekken met meer dan 150 patiŽnten en hun naasten, wetenschappers, zorgverleners, donateurs en vrijwilligers. Een commissie met afgevaardigden uit deze groepen adviseerde de Hartstichting bij de opzet en uitvoering van de stemming. De prioriteitenlijst is bepaald op basis van het aantal stemmen op een thema in combinatie met het belang (symbolisch bedrag) dat mensen aan het thema gaven.

 

Investeren in de onderzoeksagenda

Volgend jaar verwacht de Hartstichting de eerste onderzoeken te kunnen financieren. Voor het eind van dit jaar wil zij de thema’s op haar onderzoeksagenda samen met wetenschappers en deelnemers aan de groepsgesprekken verder uitwerken: welke resultaten kunnen we binnen welke termijn behalen en wat voor onderzoek is daarvoor nodig?

 

Over de Hartstichting

Er zijn nu 1 miljoen hart- en vaatpatiŽnten in ons land. Aan hart- en vaatziekten overlijden per dag 107 mensen. Dagelijks komen 1.000 mensen met hart- en vaatziekten in het ziekenhuis terecht. De preventie, behandeling en genezing van de ziekte is de belangrijke missie van de Hartstichting. Wij strijden al 50 jaar tegen hart- en vaatziekten, een van de belangrijkste doodsoorzaken in ons land, door onder andere voorlichting te geven over een gezonde leefstijl en door innovatieve verbeteringen in de zorg te bewerkstelligen.

Aankondiging cursus Schiermonnikoog

Klik op de afbeelding voor de volledige versie

www.lumc.nl/org/klinische-epidemiologie/onderwijs/Schier

 

Aankondiging Seminar 11 september, Amsterdam

Klik op de afbeelding voor de volledige versie

Aankondiging Evidence Based Practice

Klik op de afbeelding voor de volledige versie

www.amc.nl/masterebp

Vacatures

Bekijk hier de vacatures. Er zijn heden drie vacatures.

Agenda

Bekijk hier de agendaberichten.