Epistel 5: Mei 2013

Voorwoord

Beste lezer,

 

De lente is mijn favoriete seizoen. De bloemen in mijn tuin, het frisse groen en de mooie bloesem in de fruitbomen die veel te zien zijn in mijn woonomgeving. Misschien ook de tijd voor frisse nieuwe ideeën en inzichten. Maar ook de tijd om weer eens te gaan bekijken waar epidemiologisch Nederland zich het afgelopen jaar zoal mee bezig heeft gehouden. Ik doel dan natuurlijk op de aankomende WEON in Utrecht op 6 en 7 juni.

Nog even terug naar het heden. Deze Epistel natuurlijk de reeds beloofde samenvatting van ons redactielid Mariëlle. Daarnaast sprak ik recent met Joke Korevaar van het NIVEL over haar carrière. Dit gesprek is na te lezen in de rubriek ‘Hoe gaat het met…’. En ook de overige bijdragen zijn de moeite van lezen (in een heerlijk lentezonnetje) natuurlijk waard.

 

Olga Souverein

De VVE heeft haar eigen wetenschappelijk tijdschrift !

Met trots kunnen wij melden dat de VvE, in samenwerking met Open Access Publishing House London, haar eerste wetenschappelijke tijdschrift heeft gestart genaamd "Open Acces Epidemiology: the official journal of the Netherlands Epidemiology Society”.

 

OA Epidemiology is een van de eerste epi tijdschriften dat overal gratis toegankelijk is voor iedereen. We hopen hiermee de VvE als vereniging verder te professionaliseren, maar misschien nog belangrijker, bij te dragen aan de doorontwikkeling van “Good Epidemiological Practice”. Het tijdschrift wordt op het komende WEON in Utrecht officieel gelanceerd.

 

De publicatiekosten voor auteurs zijn een fractie vergeleken met andere medische Open Access tijdschriften (£250) en voor de lage- en middeninkomen landen wordt korting gegeven of helemaal niets berekend. Het is verder ons beleid dat het copy right bij de auteur blijft.

 

OA Epidemiology zal worden geïndexeerd door alle belangrijke zoekmachines waaronder Medline, Google scholar en Embase. Het tijdschrift accepteert peer reviewed wetenschappelijke artikelen uit het hele veld van de epidemiologie, inclusief primaire studies, design artikelen, onderwijs artikelen, systematische reviews en artikelen over methode ontwikkeling en stimuleert het werk van jonge onderzoekers.

 

Ter gelegenheid van de start van ons eigen tijdschrift nodigen wij leden van de VvE uit om een artikel in te dienen bij OA Epidemiology. Leden van de VvE zullen altijd 10% korting krijgen op de publicatiekosten, maar voor het jaar 2013 hebben wij kunnen onderhandelen dat er geen publicatiekosten zijn voor VvE leden (kortingscode VVE2013). Mocht je interesse hebben email ons direct.

 

Prof. dr. Maurice Zeegers

Editor-in-Chief of OA Epidemiology

Open Access Publishing London

Second Floor

10-12 Maclise Road

London W14 0PR

England

 

epidemiology(at)open-access-london.com

 

OA Epidemiology is supported by: Dr. Jos Bosch, Prof. Leopold Curfs, Dr Edwin Wagena, Dr. Ron Schellings, Prof. Jos Kleijnen, Dr. Gerben Terriet, Dr. Frank de Vries, Prof. Alex Burdorf, Prof. Floor van Leeuwen, Dr. Natasja van Schoor, Prof. Bart Kiemeney, Prof. Andre Knottnerus, Prof. Maarten IJzerman, Prof. Frits Rosendaal, Prof. Harold Snieder, Prof. Johannes Brug, Prof. Matty Weijenberg, Prof. Gerhard Zielhuis, Dr. Willem-Jan Astma, Prof. Raymond Ostelo, Prof. Rob Scholten, Prof. Marieke Boezen and Prof. Jos Twisk, the Dutch members of the editorial board; Sabine Siesling and Ellen Kampman, the VVE curatorium of AO Epidemiology.

Hoe gaat het met…

Naam:                     Dr. Joke Korevaar

Functie:                  Programmaleider Huisartsgeneeskundige zorg

Bedrijf/instelling:   NIVEL - Nederlands instituut voor onderzoek van de                                 gezondheidszorg, Utrecht

 

Wat houdt uw functie in?

Het is mijn taak om een eigen onderzoeksprogramma draaiende te houden. Daaronder valt dan dat ik onderzoeksvoorstellen schrijf, promovendi en post-doc onderzoekers begeleid, publicaties schrijf, de resultaten van onderzoek presenteer en nieuwe ideeën voor onderzoek genereer. Het presenteren van de resultaten heeft een wetenschappelijk karakter (internationale wetenschappelijke congressen), maar ook een maatschappelijk karakter (voor patiëntengroepen, beroepsgroepen en media). Ook ben ik als programmaleider betrokken bij het beleid binnen het instituut: ik denk mee over welke kant het instituut op moet en waar meer of minder aandacht naartoe moet.

Het onderwerp waarbinnen ik onderzoek doe is de huisartsgeneeskundige zorg. Binnen dit brede onderwerp heb ik specifieke aandachtspunten. Zo kijken we naar preventie in de huisartszorg, en dan met name naar leefstijlinterventies. Tevens hebben we specifiek aandacht voor de nazorg rondom patiënten met kanker in de huisartspraktijk. Daarbij kijken we niet alleen naar de patiënt zelf, maar ook naar de gevolgen voor de partner van de patiënt. We doen ook onderzoek naar andere chronische aandoeningen die voorkomen binnen de huisartsenpraktijk, zoals reuma. We kijken dan welke aandoeningen een patiënt al heeft bij diagnose, welke aandoeningen komen daar nog bij, en nog veel meer.

Een ander belangrijk aandachtspunt voor mij is multimorbiditeit: wat is goede zorg voor mensen met multimorbiditeit. Richtlijnen zijn vaak opgesteld voor één aandoening, en bij deze patiënten moeten richtlijnen dus gecombineerd worden. Wij kijken hoe je dat kan doen, hoe je de kwaliteit van de zorg kan meten en hoe behandel je deze complexe aandoeningen.

Als laatste aandachtspunt wil ik nog noemen dat we landelijke richtlijnen evalueren: worden ze nageleefd en als dat niet zo is, wat is de reden of wat zijn de barrières om hiervan af te wijken. Dit geeft weer informatie over uitvoerbaarheid van richtlijnen.

 

Waar wordt u enthousiast van in uw werk?

Ik word enthousiast van heel veel dingen: brainstormen, nieuwe ideeën bedenken en uitwerken, maar ook van het zo goed mogelijk schrijven van een publicatie. Het begeleiden en coachen van promovendi en postdocs vind ik erg leuk. Het is goed om te zien als mensen groeien in hun functie. Ook het presenteren van onze resultaten en het daarover in discussie gaan is interessant. Hopelijk leidt zo’n discussie tot nieuwe ideeën of nieuwe samenwerkingen.

Het is juist de afwisseling van mijn functie, dus de verschillende taken en rollen, die ik erg plezierig vind.

 

Welk pad heeft u afgelegd voordat u in deze functie kwam?

Ik heb Humane Voeding gestudeerd in Wageningen, met als specialisatie epidemiologie. Mijn eerste baan was in Leiden bij het Centrum voor Wetenschaps- en Technologiestudies. Toen ik wilde promoveren ben ik naar het AMC, naar de afdeling Klinisch Epidemiologie en Biostatistiek gegaan. Ik deed daar promotieonderzoek naar het beste moment om te starten met de dialysebehandeling bij patiënten met chronisch nierfalen. Daarna heb ik op deze afdeling gewerkt als postdoc en later als staflid. Als staflid had ik een breder onderzoeksterrein. Zo werkte ik samen met de afdelingen gynaecologie, geriatrie, nefrologie en kindergeneeskunde en ook met de intensive care. Ik heb bijna 14 jaar bij het AMC gewerkt. Twee-en-een-half jaar geleden ben ik naar het NIVEL verhuisd om daar als programmaleider aan de slag te gaan.

 

Wat wil u in de toekomst nog graag bereiken?

Ik zou graag een bijdrage blijven leveren aan huisartsgeneeskundige zorg en aan de onderbouwing daarvan. Daarnaast wil ik graag een bijdrage leveren aan integratie, dus aan de samenwerking tussen de eerstelijns en tweedelijns zorg. En ik zou graag bereiken dat de rol van preventie in de huisartsenpraktijk groter wordt.

 

Hans Reitsma vroeg zich hoe u aankijkt tegen de registratie van epidemiologen: wat is de toekomst en zou er iets moeten veranderen, zeker ook gezien de groei aan masteropleidingen epidemiologie. Wordt de registratie niet overbodig?

Nee, ik denk niet dat de registratie overbodig wordt. Ik denk dat het misschien juist wel tijd is om te denken aan een systeem van herregistratie. Ik vind dat je alleen goed onderzoek kan doen als je dat blijft doen: je moet je vaardigheden levendig houden. Dus om een goede registratie te hebben, zouden epidemiologen één keer in de zoveel tijd moeten aantonen dat ze nog actief zijn, en dus nog voldoen aan de eisen over kennis en kunde die bij de registratie zijn vastgesteld.

Oratie Henning Tiemeier

Door: Mariska Stam

 

“Modern research does not build grand overarching models explaining psychiatric disease; psychiatric research remains a patchy bit-by bit effort of integrative pluralism, which combines creativity with methodological rigor. It brings together the serendipity of the basic scientists with empirical testing and replication efforts. It is brain research combined with detailed patient observation. Psychiatric research today is Psychiatric Epidemiology. Epidemiology is the core discipline of psychiatric research. The methodological discipline is needed for a lasting but controlled upswing – to not get carried away”.

 

Dat stelt prof. Henning Tiemeier in de oratie die hij uitsprak op 15 juni 2012 ter gelegenheid van het aanvaarden van het ambt van bijzonder hoogleraar Psychiatrische Epidemiologie aan het Erasmus MC in Rotterdam.

 

Prof. Tiemeier haalde daarnaast in zijn oratie, genaamd “The upswing in psychiatric research”, tien mijlpalen op het gebied van kwantitatieve psychiatrische studies aan. Zo noemde hij onder andere studies naar het effect van Lithium (voor de behandeling en preventie van manieën) en de ontwikkeling van de DSM criteria.

 

Modern psychiatrisch onderzoek kan volgens prof. Tiemeier op de volgende manieren gekarakteriseerd en geoptimaliseerd worden:

  • RCT’s dienen de grondslag te blijven van modern psychiatrisch onderzoek
  • Modern psychiatrisch onderzoek dient niet blind op de DSM te steunen (het concept van ziekte zou een continue schaal moeten zijn in plaats van ziek vs. niet ziek)
  • Modern psychiatrisch onderzoek dient gebruik te maken van meerdere informatiebronnen, bijvoorbeeld familieleden die ook in het onderzoek betrokken worden
  • Gedragswaarnemingen zouden aanvullend moeten zijn aan andere metingen
  • Studies naar moleculaire genetische psychiatrie dienen door te gaan
  • Epidemiologische imaging studies dienen eerder regel dan uitzondering te worden

De oratie van Professor Tiemeier is gepubliceerd in de oratiereeks van Erasmus MC onder het volgende ISBN nummer: 987-94-914-6208-5.

Proefschrift Mariëlle Beenackers

Physical Activity - The interplay between individual and neighbourhood factors

 

Promovendus:    Mariëlle A. Beenackers

Universiteit:        Erasmus Universiteit Rotterdam

Promotiedatum: 12 april 2013

Promotor:            Prof.dr.ir. A. Burdorf

Copromotoren:   Dr. F.J. van Lenthe en dr. C.B.M. Kamphuis

 

In hoeverre is er een samenspel tussen individuele afwegingen om te bewegen en de invloed van de buurtomgeving op het beweeggedrag van volwassenen? Op onder andere deze vraag richtte Mariëlle Beenackers zich in haar proefschrift. Lees hieronder de samenvatting.

 

Hoewel het bekend is dat voldoende bewegen goed is voor de gezondheid, zijn nog steeds veel mensen lichamelijk inactief.

 

Sociaaleconomische positie en bewegen

Er wordt verondersteld dat de omgeving voor bepaalde groepen in de samenleving een belangrijkere rol speelt in de beslissing om te bewegen. Voor mensen met een lagere sociaaleconomische positie wordt gedacht dat de buurtomgeving over het algemeen onaantrekkelijker is om te bewegen dan voor mensen met een hogere sociaaleconomische positie. Ook wordt vaak gevonden dat mensen met een lagere sociaaleconomische positie minder bewegen dan mensen met een hogere sociaaleconomische positie. Dat vraagt dan om een verklaring en om mogelijke oplossingen die juist bij lagere sociaaleconomische groepen aanslaan en die wellicht in de buurtomgeving gevonden kunnen worden.

In dit proefschrift is allereerst onderzocht of er inderdaad sprake is van sociaaleconomische verschillen in bewegen en of deze verschillen anders zijn voor verschillende soorten beweeggedrag. Uit een systematische literatuurstudie is gebleken dat mensen met een hogere sociaaleconomische positie over het algemeen vaker bewegen in de vrije tijd terwijl mensen met een lagere sociaaleconomische positie vaker bewegen op het werk.

 

Het samenspel tussen individuele factoren en buurtkenmerken

In het vervolg van het onderzoek is de focus gericht op de bewegen in de vrije tijd. In recente verklaringsmodellen wordt verondersteld dat beweeggedrag wordt beïnvloed door de ‘obesogene’ omgeving waarin mensen leven waarin personen afwegingen maken om meer of minder te bewegen. In beleid en praktijk wordt vaak gezegd dat we ‘de gezonde keuze de gemakkelijke moeten maken’. Er is echter nog maar zeer weinig bekend over hoe kenmerken van de omgeving samenhangen met afwegingen van mensen.

Dit samenspel tussen individuele factoren en buurtkenmerken zou via twee mechanismes kunnen plaatsvinden. Het eerste mechanisme, het synergetisch mechanisme, gaat ervanuit dat de invloed van een beweegvriendelijke buurt op het beweeggedrag het grootst is bij de inwoners die een positieve houding hebben ten aanzien van bewegen. Daarbij versterken de psychosociale cognities en buurtfactoren elkaars effect en de mensen met een positieve houding ten aanzien van bewegen zouden in dit mechanisme het meest baat hebben bij een beweegvriendelijke omgeving. Het andere mechanisme gaat er juist vanuit dat de invloed van een beweegvriendelijke buurt op het beweeggedrag het grootst is bij de inwoners die juist géén positieve houding hebben ten aanzien van bewegen. Mensen die minder positief ten aanzien van bewegen staan zouden dan juist het meeste baat hebben bij een beweegvriendelijke omgeving.

Uit verschillende studies in dit proefschrift blijken afwegingen van mensen mede afhankelijk te zijn van de omgeving waarin ze worden genomen. Zo werd er onder andere een sterker verband gevonden tussen een beweegvriendelijk gebouwde buurt en wandelen wanneer mensen minder positief stonden ten aanzien van bewegen. Echter, de samenhang tussen omgeving en individuele afwegingen varieerde sterk tussen specifieke combinaties van factoren en voor verschillende soorten bewegen en geen van beide mechanisme kwam als overheersend naar voren in dit proefschrift. Ondanks het veelvuldig terugkomen van dit samenspel in theorie en beleidsstukken blijkt de complexiteit van dit samenspel een stuk groter dan vaak verondersteld.

 

Meer bewegen in een andere buurt

Een aantrekkelijk manier om het beweeggedrag van, met name moeilijk bereikbare, mensen te bevorderen is het beweegvriendelijker maken van de omgeving. Er is onderzocht of een verandering van woonomgeving leidt tot een verandering van beweeggedrag. In het proefschrift werd onderzocht of mensen die niet fietsten vóór hun verhuizing wel fietsten ná hun verhuizing en welke veranderingen in de buurtomgeving hieraan bijdroegen. Deze studie is uitgevoerd in Perth in West Australië. Het onderzoek toonde aan dat inwoners die verhuisden naar een buurt met een betere verbinding tussen de straten meer geneigd waren om recreatief te gaan fietsen. Inwoners die verhuisden naar een buurt met een grotere woningdichtheid en een betere toegang tot parken en recreatieve bestemmingen waren eerder geneigd om te gaan fietsen als vorm van transport.

 

Tenslotte

De resultaten van het onderzoek hebben geleid tot aanbevelingen voor onderzoek en beleid. Inleidend op de verdediging van het proefschrift vond er een symposium plaatst in samenwerking met CEPHIR, de academische werkplaats van Rotterdam. Het thema van de ochtend was “Naar een beweegvriendelijke omgeving: van theorie naar oplossingen?”.

 

Een verslag van het symposium en de gegeven presentaties zijn te vinden op de website van CEPHIR (http://cephir.nl/seminars_actueel.htm). Het proefschrift is te benaderen via de EUR repository (http://repub.eur.nl/res/pub/39545/).

Aankondigingen

 

 

 

Lifelines

Wednesday 3 July 2013

University Medical Center Groningen

 

Klik op de afbeelding voor de leesbare versie.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

AMC

Evidence Based Practice MSc/Drs

 

Klik op de afbeelding voor de leesbare versie.

 

 

 

 

Vacatures

Bekijk hier de vacatures.

Agenda

Bekijk hier de agendaberichten.