Epistel april 2018: Verbinden

|   Epistels

Vorig jaar is in Epistel begonnen met verbindingsketens. De bedoeling is een trits van collega’s aan het woord te laten over een bepaald onderwerp. Een collega die aan het woord is geweest geeft de beurt door aan een andere collega en zo ontstaat een verbindingsketen. In deze Epistel beantwoordt Olaf Dekkers (Klinische epidemiologie, LUMC) een vraag van Patrick Bossuyt (Klinische epidemiologie, AMC).

Is het denkbaar dat op termijn afdelingen epidemiologie en klinische epidemiologie gewoon zullen verdwijnen in onze medische faculteiten? De onderzoekers zullen dan worden teruggevonden in inhoudelijke groepen, afdelingen of instituten, b.v. endocrinologie, of chirurgie , of “hart- en vaatziekten” of  “veroudering” . Ooit was het bijzonder om kwantitatief, in groepen deelnemers of patiënten, naar determinant-uitkomstrelaties te kijken, maar geleidelijk aan behoort kennis over epidemiologische methoden toch meer en meer tot de standaard armamentarium van de (klinisch-) wetenschappelijke onderzoeker…

Antwoord: Helemaal eens: daar waar vroeger de epidemiologische analyse het alleenrecht was van de epidemioloog is deze praktische vaardigheid reeds lang gediffundeerd. Op elke afdeling waar klinisch onderzoek wordt uitgevoerd zijn er promovendi bezig met behulp van epidemiologische methoden data te analyseren en te interpreteren. Veel afdelingen hebben tevens een eigen epidemioloog in dienst. In termen van alleenrecht heeft een instituut epidemiologie dus geen bestaansrecht.

Ik meen dat er drie redenen zijn waarom we het instituut klinische epidemiologie zouden moeten koesteren en in stand houden.

De eerste reden, hoewel misschien de minst overtuigende, is onderwijs. Onderwijs wordt bij voorkeur verzorgd door een groep experts die niet net boven de epidemiologische lesstof uitkomen, maar die in staat zijn meer te bieden: dwarsverbanden en vergezichten. Een epidemiologisch kennisinstituut zal de kwaliteit van onderwijs ten goede komen.

De tweede reden is dat het toepassen van epidemiologische kennis ook betekent dat nieuwe ontwikkelingen in het methodologische kennisdomein worden bijgehouden. Dit draagt bij aan het optimaal inzetten van epidemiologische technieken. Omdat deze technieken (bijvoorbeeld mediatie analyse, inverse probability weighting, netwerk meta-analyses) steeds technischer worden, is de meerwaarde van een epidemiologisch kennisinstituut evident. Voldoende kritische massa en gecombineerde expertise zijn denk ik cruciaal voor interne educatie en ontwikkeling.

De derde reden, misschien wel de belangrijkste, is dat de epidemiologie ook een onderwerp van onderzoek kan zijn. Epidemiologische kennis is dan niet enkel meer instrumenteel, maar een onderzoeksdoel op zich. En gelukkig voor ons zijn er nog genoeg onderzoeksvragen over de grondslagen van ons vak. Het zou mooi zijn als de subsidiemogelijkheden voor fundamenteel methodologisch onderzoek kunnen worden uitgebreid.

Kortom, ik zie dus voldoende bestaansrecht voor epidemiologische kennisinstituten. Ook in de toekomst. 

Terug